Nog niet op stoom

In New York kijkt niemand ervan op: stoom oprijzend uit het wegdek. Zonde, want energie die hard verloren gaat. In Nederland gaan we dat beter doen via de aanleg van milieuvriendelijke stoomnetten. Maar, zegt Emile Peters, adviseur en partner Triple Bridge, de weg naar een economie die (deels) op reststoom draait, is nog lang. Want ‘hoe pervers ook, idealisme alleen is niet genoeg.’

Triple Bridge
Triple Bridge is een kennis- en netwerkorganisatie gericht op het onderzoeken en oplossen van complexe vraagstukken over infrastructuur, duurzame energie en water & ondergrond. Haar expertise ligt in de consultancy, conceptontwikkeling en interim-management. In dat kader is Triple Bridge ook betrokken bij de ontwikkeling van (rest)warmte- en stoomnetten.
www.triple-bridge.nl

Wat is een stoomnet?
Een restwarmte- of stoomnet is een koppeling waarmee restwarmte van de ene groep ondernemingen (stoomleveranciers), via een aangelegd systeem van pijpleidingen, is door te geven aan een andere groep ondernemingen (stoomafnemers). De beleverende ondernemingen zijn vaak productieondernemingen, die warmte opwekken in hun bedrijfsproces (veelal in industriële ovens). Voor die stoom hebben ze zelf geen functie, die zou anders worden afgeblazen. Afnemende ondernemingen gebruiken de reststoom in hun bedrijfsprocessen - en hoeven die niet meer zelf op te wekken. Op deze manier kan de restwarmte worden hergebruikt. Dat leidt tot kostenbesparingen en minder CO2-uitstoot.

Hoe graag willen we in Nederland een systeem van stoomnetten?
Emile Peters: “Heel graag. De overheid heeft het realiseren van reststoomprojecten tot speerpunt verklaard. Die opstelling sluit aan op het Energieakkoord, waarin afspraken liggen over het terugdringen van de CO2-uitstoot. Binnen overheden zijn zelfs speciale afdelingen opgericht die tot doel hebben dergelijke netten te realiseren. Het politieke momentum is dus sterk.”

Goed nieuws.
“Dat is op zich goed nieuws. Maar de succesratio in het tot stand brengen van stoomnetten is laag. Ondanks de wenselijkheid zagen nog maar weinig stoomnetten het licht. Bij mijn weten zijn her en der wat kleine projecten gerealiseerd. Alleen in Rotterdam zijn ze erin geslaagd op grote schaal een warmterotonde te creëren, waarop een grote groep aanbieders en afnemers zich stapje voor stapje aansluit. De initiële warmteleverancier daarvoor was Afvalverwerking Rijnmond (AVR). Zij verbrandt (huishoudelijk) afval en uit dat proces ontstaat restwarmte, die door bedrijven en huishoudingen in Rotterdam (via stadwarmte) is te gebruiken voor energiedoeleinden. Om het samen te vatten: in weerwil van de ambities en politieke wil zijn veel stoomnetprojecten vastgelopen, niet uitgevoerd of opzijgelegd.”

Wat ligt ten grondslag aan dit teleurstellende resultaat?
“Daarvoor zijn meerdere redenen. De eerste speelt bij alle duurzame energieprojecten, (ook bijvoorbeeld bij wind, zon en geothermie). Deze projecten moeten leiden tot een besparing op de energiekosten, omdat je minder fossiele brandstof stookt. De besparing is de financiële motor van de transactie, die de benodigde investeringen moet terugbetalen. Hoe groter de besparing, hoe groter de transactiewaarde en hoe aantrekkelijker het is om te investeren. Maar de energiemarkt ligt op zijn gat, omdat de olieprijs buitengewoon laag is. Omdat de energieprijzen zijn gekoppeld aan de olieprijs, is ook de prijs van elektriciteit historisch laag. Is dat voor consumenten gunstig, voor de business case van een duurzaamheidsproject is dat ongunstig. Elk project heeft geld, heeft investeerders, nodig om gerealiseerd te worden. Zelfs een ‘duurzame’ investeerder wil voor elke geïnvesteerde euro een bepaald rendement zien. Hoe pervers en moeilijk ook, idealisme alleen is niet genoeg. Iedereen pleit voor duurzame energie, maar als er geïnvesteerd moet worden, dan haken investeerders af als niet een acceptabel minimum rendement is te verwezenlijken.”

Toch lijken zonnepaneel- en windparkprojecten wel van de grond te komen.
“De achtergrond daarvan is dat de overheid voor deze projecten subsidieregelingen kent. Een van die regelingen - Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) - bestaat eruit dat de opwekker van duurzame energie geld verdient met de verkoop van energie, plus dat hij daar bovenop nog een bedrag van de overheid ontvangt. Dat maakt dat die projecten financieel wel uit kunnen. Uit het succes van SDE-projecten blijkt dat we nog altijd een overheid nodig hebben die in een flinke financiële ondersteuning voorziet.”

En voor stoomprojecten is een subsidieregeling niet mogelijk?
“Het probleem bij stoomprojecten is de traditionele warmtebron: aan de basis van deze stoom staat een olie- of gasoven. Omdat stoomprojecten daarmee niet onder de SDE-regeling kunnen vallen, ontstaat iets geks. Aan de ene kant hebben we een overheid die zegt dat we in moeten zetten op stoomnetten, terwijl aan de andere kant diezelfde overheid niet bereid is om voor stoomnetten iets als een SDE-regeling te treffen. Ik snap de gedachte erachter natuurlijk wel, maar we moeten met z’n allen constateren dat een stoomnet niet kan bestaan zonder een SDE-subsidie. De businesscase van de projecten is daarvoor, bij de huidige energietarieven, veel te mager.”

Ziet u een manier om uit deze patstelling te geraken?
“Als je een magere businesscase hebt, dus investeerders slechts een laag rendement kunt bieden, dan moet je deze rendementen zo goed als risicoloos aan investeerders aanbieden. Waar zitten de risico’s in? In de continuïteit van de kasstromen die het project oplevert, en waaruit investeerders en leningen worden (terug)betaald.

Risico’s zijn nooit uit te sluiten, maar hoe lager het risico, hoe lager de rendementsverwachting van de investeerder kan zijn.

Een minimaal investeringsrisico betekent in een stoomnet concreet dat gedurende tien tot vijftien jaar de levering van stoom is gegarandeerd, het transport van die stoom van A naar B is gegarandeerd en dat de stoomafname is gegarandeerd. Omdat je een laag rendement hebt, gaat het project zich pas over meer dan een decennium terugverdienen. Gedurende deze lange periode moeten al deze zaken dus gegarandeerd blijven.

Het probleem is dat je met reststoom te maken hebt. Neem als voorbeeld Tata Steel in IJmuiden. Die produceert onvoorstelbaar veel reststoom, maar ze maken staal. Tata zou kunnen zeggen: ‘Je mag de stoom komen halen, want wij doen er toch niets mee. Maar je krijgt garantie tot aan de deur. Als we stoppen met de staalproductie, omdat de markt verslechtert, dan stappen we eruit. We gaan onze kernprocessen niet belasten met een restproduct, dat we bovendien voor niets, of voor heel weinig, leveren.’ En dat zou betekenen dat de benodigde leveringsgarantie niet is af te dekken. Aan de afnamekant heb je bedrijven die afnemen zolang ze functioneren. Zij zeggen: ‘Ik neem af zolang ik de stoom nodig heb.’ Dus ook de afname is niet volledig gegarandeerd. Het enige dat in de praktijk wel goed af te dekken is, is het transportnetwerk. Dat is technisch wel goed uitontwikkeld. Om deze patstelling op te heffen, zou de overheid kunnen helpen door dergelijke risico’s, die de markt niet kan dragen, te helpen afdekken.”

Ziet u nog meer obstakels?
“Eentje van een meer praktische aard. Stoom is een restproduct. Betrokken bedrijven, afnemers en aanbieders, willen allemaal wel, maar steken er niet al te veel energie in. De beoogde stoomleverancier zegt: ‘Kom het maar halen’, en de beoogde afnemer, zegt: ‘Kom het maar brengen.’ Wat ik bedoel: niemand neemt het voortouw, dus moet er een regisseur zijn. Die zet een Energy Service Company (ESCO) op, in dit geval een in- en verkoper van stoom. Die zorgt voor financiering en investeerders voor de ESCO, geeft opdracht de pijpleidingen en andere benodigde systemen aan te leggen, en zoekt een partij om die goed te beheren. Maar die doet dat ook niet voor niets; die moet je inhuren. Maar wie huurt deze partij in? Belangrijker nog, wie stelt daarvoor geld beschikbaar? Idealiter doen alle betrokken partijen dat gezamenlijk; ze hebben allemaal belang bij een goede afloop. Maar in de praktijk zullen betrokken ondernemingen daar niet veel geld voor over hebben. De door een stoomnet gebrachte verduurzaming is voor deze ondernemingen weliswaar wenselijk, maar geen noodzaak. En hij levert ze niet of nauwelijks geld op. Dus wachten ze tot iemand anders het voor ze regelt - en betaalt.”

En dus kom je uit bij de overheid?
“De overheid ziet graag dat de markt het oplost. Maar door de eerder genoemde factoren komt dat niet tot stand. De overheid zou er natuurlijk voor kunnen kiezen de SDE-regeling ook voor stoomnetten open te stellen. Maar daar is, naar ik begrijp, bewust niet voor gekozen. Toch liggen in de stoomnetten twee thema’s die om betrokkenheid van de overheid vragen. De een is de risico-overname. Als de overheid wil dat de markt in stoomnetten investeert, dan moet zij tegemoetkomen in de niet verzekerbare lange-termijnrisico’s. Dat hoeft niet per se met subsidiegeld te zijn, maar kan inhouden dat de overheid helpt om rest risico’s af te dekken die de markt niet kan dragen. De overheid als achtervanger, terwijl de markt zijn best doet een systeem van stoomnetten te creëren. Dat wordt ook al gezien en daar zijn gelukkig ook al voorbeelden van.

De tweede rol vereist wel actieve financiële steun; namelijk bekostiging van de initiële ontwikkelingsfase van het project. Door de vermelde complexiteit en afwijkende belangen, kost het uitwerken van een stoomnet business case de nodige tijd en geld. Pas op een later moment zal blijken of die haalbaar is. Door die onzekerheid, en het beperkte financiële belang van het stoomnet voor de betrokken bedrijven, zullen deze bedrijven slechts beperkte middelen willen investeren in die vroege ontwikkelingsfase. Iedereen wil wel, maar niemand neemt het initiatief. Ook hierin is een rol van de overheid nodig als verstrekker van financiële steun om het project in deze vroege fase te ontwikkelen – zgn. een Project Development Aid (PDA). Dat betekent dan natuurlijk wel dat de voorgeschoten ontwikkelingskosten bij succes aan de overheid worden vergoed.” Ook hier wordt al wel op gestudeerd.

Tenslotte, het helpt ook niet dat de betrokken bedrijven geen noodzaak hebben om via stoomnetten te verduurzamen. Een wettelijk kader zou die noodzaak weliswaar kunnen brengen, maar dat is in een open economie als de onze moeilijk te realiseren. Onze vestigingsvoorwaarden voor bedrijven concurreren met die van de landen om ons heen.

Ziet u, kijkend naar de toekomst over zeg tien jaar, stoom ónder het Nederlandse wegdek getransporteerd worden?
“Ik ben hoopvol dat we over tien jaar meer stoomnetten zullen hebben. Ten eerste verwacht ik niet dat de energietarieven, op langere termijn, zo laag zullen blijven als nu. Zelfs Saudi-Arabië, dat extreem veel olie heeft, en ook extreem goedkoop olie kan produceren, heeft nu financieringstekorten en moet nu geld lenen. OPEC zal op den duur, met vereende krachten, de olieprijs willen terugbrengen naar hogere niveaus. Bij een stijging van die tarieven worden stoomnetprojecten vanzelf financieel aantrekkelijker.

Dan nog blijven de transacties complex om tot stand te brengen. Ik hoop dat een actieve rol van de overheid zal helpen de drempels te overwinnen en meer projecten te doen slagen. Ik ga er daarbij van uit dat het feit dat reststoombenutting als een politiek speerpunt is gedefinieerd, ook de bereidheid van de overheid zal brengen om projecten actief financieel te steunen waar ze anders niet van de grond komen.”

Aanmelden nieuwsbrief

Op de hoogte blijven van het laatste nieuws, producten en aanbiedingen? Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Deel dit artikel

Reacties (0)

Reageren